Week 1: Waardeloos

Hij schopte tegen een steentje en keek uit over de heuvels. Heuvels die altijd zijn thuis geweest waren, zijn uitzicht. Hij wist niet wat hij moest denken. Niet echt. Hij was een klootzak, een lafbek. Zijn ogen gleden naar de katoenen weekendtas naast zijn voeten. Hij had de minst dure en opzichtige tas gepakt die hij had kunnen vinden op de zolder van het paleis. In elk geval eentje zonder de opvallende M van Memorya aan de buitenkant. In de voering zaten ze wel, maar hij hoopte dat niemand in zijn tas zou kijken en dat niemand de tas zou herkennen als goed materiaal. Dat was iets waar hij bang voor was: Dat hij ontmaskerd zou worden.
De tas was duur, maar het was niet te zien aan het ding, niet echt. Het deed zeer dat hij zijn mooie en dure leren tassen en kleding niet mee kon nemen. Hij wist wat de gevolgen zouden zijn als ze hem vonden: Hij moest doen waar hij zo bang voor was. Regeren. Memorya regeren.
„Je kunt je lot niet ontlopen,” had zijn vader gezegd. „Je bent nu de kroonprins en later zul je hun koning zijn.”En daarom stond hij nu hier. Hij zag zichzelf niet als koning en hij zou zichzelf nooit als eentje gaan zien. Als hij in de spiegel keek, kon hij zich niet eens voorstellen hoe hij eruit zou zien wanneer hij dertig was, veertig, vijftig, zestig. Hij was zeventien, bijna achttien. Een lange slungelige jongen met donkerbruin haar en kille blauwe ogen.
Hij draaide zijn hoofd en keek naar het paleis achter hem. Het was donker in de nacht. De nachten in Memorya waren op deze plek altijd inktzwart. In de steden ging het leven dag en nacht door, maar op deze heuvel niet. Een plek waar zijn hele leven lag. Het ravotten met zijn broers James – Jais voor familie – en Jurriaan.  Oscar was hier geboren en opgegroeid tot de lafaard die hij nu was. Lafaard, lafaard, lafaard. Hij was een waardeloze lafaard die er midden in de nacht vandoor ging, omdat hij het niet aan kon. Eentje waar geen meisje verliefd op zou moeten worden. In elk geval geen slim meisje.
Hij had de pech dat hij de eerstgeborene was. Of het geluk. Er rustte in elk geval een zware taak op zijn schouders. Hij speelde met de familiering om zijn vingers.
Mendacem oportet esse memoremEen leugenaar moet een goed geheugen hebben.
Oscar hapte even naar adem en deed toen een stap achteruit. Hij voelde hoe de tas tegen zijn rug bonkte bij elke stap die hij zette.
„Hopelijk wordt mijn zoon niet zo’n hufter als ik ben,” zei hij geluidloos tegen de wind, tegen de nacht. „Laat mijn zoon doen wat ik nooit gedurfd heb.” 

Leave a Reply